Twaalf stappen richting compassie

Rotterdam is nu Stad van Compassie. Dat zet een intentie, dat draagt een voornemen. Maar wat hebben we daarvoor nodig, in de praktijk? Initiatiefneemster Karen Armstrong helpt ons op weg. In haar boek ‘Compassie’ beschrijft ze twaalf stappen om compassievol te leven. Kort en intiem samengevat, komen ze hierop neer:

Ik kies compassie.

Dat betekent niet dat ik geen kritiek heb.

Of dat ik sentimenteel ben.

Of doe aan liefdadigheid.

Het is mijn houding, naar de wereld, naar jou.

Een principe.

Het is mijn streven om alle levende wezens op deze aarde te ontdoen van pijn.

Het principe van hen allen te houden.

Het is eren dat jij jij bent. En ik ik.

Het is vieren dat we beiden Mens zijn.

Laat me compassie begrijpen.

Wat is het? Wat betekent het?
Ik luister naar hen die ik wijs vind en hoor wat ze over haar zeggen.
Ik begrijp nu wat zij is.

Laat me kijken hoe we ervoor staan, in de wereld vlak om mij heen.

In mijn gezin, daar waar ik werk, het land waarin ik woon.

Hoe compassievol denken en handelen wij?

Welke plek heeft zij in ons onderwijs? Hoe relateren wij aan een vluchteling
Waarin zijn we bedreven? Waarin zie ik onze kansen tot groei?

Heb een ander lief zoals jezelf, dat blijkt de kern van compassie.
Dan moet ik allereerst van mezelf houden.
Van al mijn zonnige, vrolijke delen.
En van alles dat duister is en zwaar.
Dat leeft in mij. Ja. Dat alles leeft in mij.
Het vraagt moed, ook mijn angsten te zien, te willen voelen, te begrijpen.

En ik heb me lief. Totaal, onophoudelijk lief.

Lijden is een wet van het leven. Van de mijne, van de jouwe.
Ze hoort bij mij en wijst me de weg.
In mijn pijn daar zit mijn waarheid, mijn willen, dat wat ik wens.

Laat me haar zien en horen.

De mijne en de jouwe.
Ik wil ervan weg, automatisch, onbewust, maar ga ernaar toe en wens ons allen:

Mogen we gelukkig zijn.

Ik ben een egoïst. Zo ben ik gebakken. Zo zijn we allen gebakken; zo werkt ons systeem.

Want wij waren ooit reptielen, en die huizen nog in ons.
Ik eerst. Ik zie het me denken. En ik zie het me ook doen.

Vliegensvlug, automatisch, stel ik ikke-eerst voorop.

Steeds scherper zie ik me bezig en langzaam kom ik ervan los.

Ik voel ik dat ik kan kiezen, voor jij en ik, voor samen hier.
Voor pijnloos voor ons beiden.

Ik zie af van het reptiel in mij.

Ik zie dat je het moeilijk hebt. Dat je een steuntje kunt gebruiken.
Ik help je.
Ik geef jou.

Ik zet een stip in de tijd;

Ik doe een kleine daad, van vriendelijkheid en liefde.

Die ik morgen ben vergeten, maar waaraan jij terugdenken zal.
Omdat je even werd gedragen, door een ander, door mij.

Ik sta snel klaar met mijn mening over jou, je cultuur en je gewoontes.

Maar wat weet ik?

Een postzegel op een landkaart.

Ik weet niets, bijna niets.

Ik besluit me te verwonderen.

Ik maak ruimte voor jou.

Hoe meer ik me verwonder, hoe minder ik weet.

Jij bent voor mij een mysterie, een heilig mysterie.

Ik praat niet over jouw gevoel alsof ik haar zou kennen,

Want dan pleeg ik heiligschennis en daartoe ben ik niet bereid.

Laten we spreken.

Ter ontmoeting.

Zonder agressie. Zonder winst.

Ik wil je niet verslaan. Ik wil je verstaan.

Ik wil je vragen stellen,

Mezelf leren kennen door nieuwsgierig spreken met jou.

Laten we praten zonder bevestiging te zoeken,

Laten we samen de waarheid ontdekken.

Ik luister met mijn hele wezen naar wat je zegt en wat je zwijgt.

Op naar wie daar verderop wonen.

Ik rijk jou de hand, jij vreemdeling, in het buitenland.

Ik erken jou als mijn gelijke. Inherent gelijke.

Ik heb de plicht u te kennen, mijn buur in het mondiale dorp

Waarin wij allen van elkaar afhankelijk zijn. 

Ik bestudeer je, jij buur.

Laat me je kennen.

Ik ben niet voor, ik ben niet tegen.

Ik ben onpartijdig, daar kies ik voor.

Ik hoor je muziek. Ik lees je geschiedenis.

Ik ontdek je triomfen en je fiasco’s.

Ik ontdek jouw complexiteit.

Ik onderzoek en ik ontdek: ik ben jou en jij bent mij.

Er zijn duizenden verschillen. Maar wanneer ik mij verplaats in jou, dan voel ik:

Wij allen hebben pijn: we zijn niet uitzonderlijk.

Door mijn eigen pijn te kennen, voel en ken ik ook de jouwe.

Ik wil het niet, die pijn.

Ik sta haar toe en kom in actie.

En nu richt ik me zelfs tot jou, jij die ik mijn vijand noem.

Ik doorbreek de cirkel van aanval en tegenaanval.

Een oog voor een oog maakt de hele wereld blind.

Ik hou me in, mijn impulsen. Ik doe het niet; ik versla mijn reptiel.

Jouw pijn is mijn pijn, in een wereld zo nauw met elkaar verweven.

Ik heb lief, zonder beloning.

Mijn liefde sluit niemand uit.

Alleen goedheid drijft het kwaad uit, alleen liefde overwint haat.